Mistiek.nl
Verrijk je Kennis

TRIO INDIANEN


De Trio (soms ook Tiriyó genoemd) is een indianenstam die zichzelf meestal tarëno noemt, wat zoveel betekent als "mensen van hier". Ze zijn ongeveer met 2.000 (in 2005) en leven verspreid in een aantal grotere en kleinere dorpen in het grensgebied van Suriname en Brazilië. Ze hebben een eigen taal die ze eveneens het Trio noemen. De taal behoort tot de Caribische taalfamilie.

De Trio indianen zijn een conglomeraat van Indiaanse groepen. Zij spreken een Caraïbische taal, het tareno. Ze leven meer geconcentreerd in Alalapoera aan de Coeroeni rivier en de Boven Tapanahonie rivier in het zuiden van Suriname. De Trio indianen zijn over het algemeen flink gebouwd; huidkleur koperkleurig tot geelachtig bruin, het sluike haar is grof en zwart. De Trio dragen het haar lang, maar bij de slapen wordt het weggesneden. Het wordt ingevet en naar achteren gekamd met krapa-olie.

Reacties

Caraiben, Karinyas of Kalinyas



De Cariben (ook wel Eilandcriben) is de benaming voor de oorspronkelijke bewoners van de Kleine Antillen. Naar hen is ook de hele regio en de Caribische Zee genoemd; zij noemden zichzelf echter Kalinago (mannelijk) en Kallipuna (vrouwelijk). Zij spraken Kalhíphona, een Arawaktaal, hoewel de mannen óf een Caribische taal spraken óf pidgin.

In de zuidelijke Cariben leefden zij met de Galibi, die echter in afzonderlijke dorpen leefden. De Galibi zijn, zo wordt aangenomen, de Cariben van het vasteland. In het verleden bewoonden de Cariben een groot deel van de oostelijke Antillen.

De Cariben zijn, waarschijnlijk vanuit de Orinoco regenwouden in Venezuela, naar de Caribische eilanden getrokken. De eeuw vóór de aankomst van Christoffel Columbus hebben zij zich gevestigd op de Kleine Antillen, waar de Igneri woonden. Volgens de legende zouden de Cariben alle Igneri-mannen hebben gedood en opgegeten en namen ze de Igneri-vrouwen tot hun eigen vrouwen.

Antropologen zijn verdeeld over deze kwestie: sommigen zien het als waarheidsgetrouw, andere zien het als een fabel.
De eilandbewoners deden ook aan ruilhandel met de oostelijke Taíno, afkomstig van de Maagdeneilanden en Puerto Rico. Het goud dat Columbus vond bij de Taíno zou van oorsprong van de Cariben afkomstig zijn. De Cariben waren goede scheepslui en scheepsbouwers, en bovendien bedreven in de oorlogskunst.

Tijdens de grote kolonisatiedrift werden de meeste Cariben echter verjaagd en gedood door de Europeanen. Sommige Cariben echter slaagden erin hun eilanden te behouden, waaronder de eilanden Dominica, Saint Vincent, Saint Lucia en Trinidad. De Zwarte Cariben (Garifuna) van Saint Vincent vermengden zich met Marrons. Zij werden in 1795 gedeporteerd naar Roatán, bij Honduras, waar hun nakomelingen vandaag de dag nog steeds leven.

De Britten zagen de "Gele Cariben" als minder gevaarlijk en stonden hen toe om op St. Vincent te blijven. Het verzet van de Cariben zorgde ervoor dat Dominica moeilijk veroverd werd door Europeanen en de gemeenschappen een autonomie behielden tot ver in de 19e eeuw. Het aantal Cariben in Dominica bedraagt heden ten dage rond 3000; er zijn ook nog enkele honderden Cariben in Trinidad.

De Europeanen die in de 15e eeuw aankwamen bij de Caribische eilanden, merkten bij het daar wonende volk (Cariben) veel agressie en een voorliefde voor oorlog. Hun cultuur leek, van buitenaf, tamelijk patriarchaal. Vrouwen hielden zich bezig met het huishouden en met het boerenbedrijf, en leefden in de 17e eeuw zelfs in afzonderlijke huizen. Vrouwen hadden echter wel veel macht en inspraak.

Kannibalisme werd opgemerkt tijdens oorlogsrituelen; het woord 'kannibaal' heeft zijn origine in het Spaanse caníbal. Dat woord stamt echter weer van het Caribische woord karibna (mens, persoon)

Of het vermeende kannibalisme ook daadwerkelijk plaatsvond is echter niet duidelijk. In 1503 vaardigde Isabella I van Castilië namelijk een wet uit volgens welke alleen kannibalen als slaven mochten worden buitgemaakt. Daardoor noemden Europeanen inheemse volkeren al snel kannibalen.

Tooien
Veren maken de man. Een verentooi werd uitsluitend door mannen gemaakt en gedragen bij rituele en feestelijke gebeurtenissen. Met de verentooi wordt de man één met de vogel. Hij ontleent er kracht en bescherming aan. Er wordt gejaagd met stompe pijlen, die de vogels verdoven en niet doden. De veren worden geplukt en de vogel weer vrijgelaten. Soms houdt men vogels in een kooi bij huis. Aan de vorm en kleur van de veren kan men zien tot welke groep iemand behoort en welke status en privileges deze binnen de groep geniet. Er is een duidelijk verschil tussen de dagelijkse dracht en een feesttooi.

 



Reacties
Bekijk de afbeelding op ware grootte
 
 
Suriname heeft in 1737 haar grootste ramp ofwel massamoord gekend, toen op 1 januari van dat jaar een slavenschip, genaamd 'Leusden' met aan boord 700 slaven, vastliep op de tijgerbank in de Marowijnerivier

 

Om een beginnende opstand van de slaven op het zinkend schip de kop in te drukken, besloot kapitein Jochem Outjes samen met zijn bemanning de slaven op te sluiten in het ruim en andere vertrekken in het schip. De luiken werden hermetisch afgesloten en dichtgetimmerd. 671 slaven uit Ghana, Afrika stierven de verdrinkingsdood. Toen enkele dagen later de bemanning in Paramaribo aankwam hebben zij verklaringen afgelegd over het gebeurde.

  
Zo heeft het slavenschip 'Leusden' eruit gezien. Op 19 november vertrok het met aan boord 700 koppen negerslaven voor zijn tiende reis, naar de kolonie Suriname. In totaal werden 671 slaven letterlijk vermoord....
 

Het bestaan van deze verklaringen, waarvan drie belangrijke, zijn onlangs ontdekt door architect Philip Dikland die nader onderzoek heeft gedaan naar deze nog nooit eerder bekend gemaakte ramp. Het materiaal ligt in het Rijksarchief in Den Haag (Nederland).  "Omdat in die periode het ombrengen van slaven niet als een misdaad werd gezien, is door de Nederlandse koloniale overheersers niets gedaan aan deze zaak en vond er dus ook geen berechting plaats. Uit de ontdekking van Dikland blijkt dat er wel over is geschreven in de Nederlandse literatuur.  

 
Harold Sijlbing van stichting Santour, een natuurbeschermende en toeristische organisatie, vindt dat deze ontdekking van Dikland niet zonder meer voorbij mag gaan, zonder dat vanuit officiële instanties iets wordt ondernomen. "Wat precies weet ik niet, maar ik vind wel dat gewerkt moet worden aan een monument voor deze vermoorde slaven". 
  
Een studente Peggy Bawoek, die Bouwkunde studeert aan het Polytechnisch College (PTC) en aan het architectenbureau KDV van Dikland is verbonden, heeft dit voorval als afstudeerthesis. Zij wil nu een bouwwerk ontwerpen dat aan dit gebeuren herinnert. Samen met Sijlbing en Dikland wordt nagegaan wat de mogelijkheden zijn en waar zo’n gebouw moet komen te staan. "Maar het is belangrijk dat de Surinaamse samenleving kennis draagt van dit gebeurde", benadrukken Dikland en Sijlbing. "Het belangrijkste monument is kennis hiervan", zegt Sijlbing.
  
Uit de verklaring (De Ware Tijd krant beschikt over een kopie)van kapitein Outjes blijkt dat het schip op 19 november 1737, met aan boord 700 slaven uit Ghana is vertrokken naar de Nederlandse kolonie Suriname. Toen het schip in Suriname aankwam werd verondersteld dat het te Braamspunt op een zandbank was vastgelopen. Het bleek echter vast te zijn gelopen op de Tijgerbank bij de monding van de Marowijnerivier. Met de enige sloep die aan boord was vertrok een deel van de bemanning aan land. De kapitein merkte dat water het schip begon binnen te dringen en vreesde dat het zou zinken. De slaven die aan kettingen waren vastgebonden in de beneden ruimten begonnen zich te roeren, omdat water het schip binnendrong. Kapitein Outjes vreesde een massale opstand van de slaven en dat die hem en zijn bemanning zouden vermoorden. Toen de volgende dag de sloep met een deel van de bemanning terugkwam, bleek de kapitein zijn lugubere daad al voltrokken te hebben. Alle slaven die waren opgesloten in de beneden ruimten waren dood. Slechts de 21 personen, bemanningsleden en misschien een enkele slaaf die zich op de bovenverdieping van het zinkend schip bevonden, kwamen in Paramaribo aan.
  
Dikland en Sijlbing noemen dit een regelrechte en bewuste massamoord. "De kapitein had er ook voor kunnen kiezen om de slaven los te maken, waardoor ieder zichzelf kon proberen te redden" zegt Dikland. "Op de tijgerbank kan je bij eb gewoon door het water heen waden", zegt hij nog. Het slavenschip 'Leusden' behoorde aan de West Indische Compagnie (WIC), een verzamelgenootschap van toen de belangrijkste handelaren uit Nederland. 
 
Bron: Wilfried Leeuwin





Lees meer...   (1 reactie)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl